Poezenadoptie Screening

Ik ben tot de conclusie gekomen dat het in Colombia makkelijker is om een kind te adopteren dan een kat.

Nouja, dat van het kind heb ik niet geprobeerd, geef ik toe. Maar intussen weet ik wél dat de achterdocht en de neiging tot check-dubbelcheck-driedubbelcheck waar Colombianen en Colombiaanse instanties bekend om staan – misschien wel begrijpelijk in dit door oorlog, criminaliteit en corruptie geteisterde land – er ook voor zorgt dat je niet zomaar aan een huisdier kan komen.

Voor Nina’s vijfde verjaardag op 4 september wilden Jeyffer en ik haar een klein poesje geven. In mijn buurt zitten aardig wat dierenwinkels en dierenartsen, maar toch kostte het ons bijna een hele dag voordat we eindelijk succes hadden. Dierenartsenpraktijk Huellas Sanitas (‘Gezonde Voetafdrukjes’) vlak achter mijn huis had net die dagen geen nest beschikbaar. De vriendelijke jonge arts met lange dreadlocks gaf me het nummer van een ander, naamloos en geheim poezenadoptiehuis.

Geheim uit voorzorg, vertelde de kordate dame die het huis bestierde me aan telefoon. ‘Als we ons adres bekend maken vinden we hier voor je het weet elke ochtend poezen op de stoep die ’s nachts door hun baasjes anoniem worden achtergelaten.’

Ze mailde me de foto van twee poesjes die beschikbaar waren voor adoptie: een broertje en een zusje, Kafu en Jade heetten ze. Twee snoezige grijze tijgertjes, en ze gingen alleen als duo de deur uit. Ik was op slag verliefd. Mijn verstandige voornemen om met één poes te beginnen – ‘eerst maar eens kijken hoe het bevalt’ – veegde ik schouderophalend van tafel. Ik bood aan de beestjes meteen die middag op te halen.

Maar daar was geen sprake van, antwoordde mevrouw Adriana van het geheime adoptiehuis. De juiste procedure was, legde ze me streng uit, dat zij zelf eerst een huisbezoek aan de potentiële adoptieouders inplanden om na te gaan of de leefomstandigheden wel geschikt waren voor de beestjes in kwestie. Bovendien moest ik een ‘Pre-Adoptieformulier’ invullen dat ze me via de mail zou sturen, en dat intern door de screening moest.

Het formulier invullen was zogezegd geen kattepis. Ik citeer uit de vier pagina’s lange lijst: rubriek WE WILLEN JE FAMILIE LEREN KENNEN (9 vragen, variërend van: gezinssamenstelling, inclusief leeftijden en beroepen, en of iedereen thuis instemt met de komst van de kat), Informatie over het Huis en de Woonomgeving (7 vragen, bijvoorbeeld of de buren óók akkoord zijn met de nieuwe viervoeter, en: Bestaat de mogelijkheid van een verhuizing in de komende 10-15 jaar?). Categorie OVER JE VROEGERE EN HUIDIGE HUISDIEREN (5 vragen), en dan tenslotte de laatste en meest uitgebreide categorie (14 vragen) waarin de geïnteresseerde poezenadoptieouder het activiteitenplan voor het aspirant-adoptiedier moet beschrijven, en of de financiën wel toereikend zijn (‘Wat voor activiteiten ben je van plan te gaan ondernemen met je kameraad de poes?’ ‘Waar gaat hij slapen?’ ‘Wie neemt de kosten voor de verzorging op zich en waar komen de inkomsten vandaan?’).

Naar beste eer en geweten vulde ik alle vragen in en retourneerde het ondertekende formulier via de mail. Zelf ben ik van huis uit opgegroeid met poezen en Nina heeft een aangeboren talent tot verzorgen, met haar ontelbare poppen die dagelijks gekamd, gekleed en soms zelfs onder de douche gedaan worden. We zouden haar geen groter plezier kunnen doen dan met de komst van een echt huisdier. Kortom: een beter adoptiegezin zou een jong poesje zich niet kunnen wensen.

Nou, dat had ik gedacht. In plaats van het verwachte volmondige akkoord op het Pre-Adoptieformulier, kreeg ik van mevrouw Adriana van het poezenhuis een mail terug waarin ze uitgebreid uiteenzette hoe de mens met de kat dient om te gaan. Het was duidelijk, begreep ik nu, dat ons eerste gesprek aan telefoon – waarin ik enthousiast had verteld over ons voornemen om Nina een poesje voor haar verjaardag te geven en ook wat advies had gevraagd over de opvoeding – bij Adriana alarmbellen had doen rinkelen.

 

Op enigszins bitse toon legde ze uit dat poezen, ‘anders dan honden, zich niet laten opvoeden’, ze hebben immers een eigen karakter dat je als mens ten volste moet accepteren. Het zijn zeker ‘geen speeltjes’ die je aan een kind ‘kado doet’. Beter was het geweest als ik me wat zorgvuldiger had uitgedrukt; als we er als ouders voor hadden gekozen om Nina met een poes ‘te verrassen’. Bovendien twijfelde mevrouw aan de leeftijd van Nina, 5 jaar, omdat kinderen naar haar oordeel dan eigenlijk nog te jong en te onbezonnen zijn om verantwoordelijk met een poes om te gaan.

Hoewel ik langzamerhand een beetje genoeg had van al dat achterdochtige gedoe – ik ben toch verdorie geen nieuwkomer op poezengebied! – kon ik die betuttelende terechtwijzing niet op me laten zitten. Ik had mijn zinnen gezet op die twee dottige grijze tijgertjes en schreef een warm pleidooi voor ons liefdevolle en verantwoordelijke moeder- en dochtergezin waarbinnen de kittens een gelukkige toekomst tegemoet konden zien.

Eindelijk was Adriana overtuigd. In een ontroerde mail antwoordde dat ze het volste vertrouwen had dat Jade en Kafu bij ons inderdaad een warm thuis zouden vinden. Er was alleen één probleem: het huisbezoek (ja, want die stap uit de procedure kon niet worden overgeslagen!) zou pas na het weekend ingepland kunnen worden en daar was met de beste wil van de wereld geen uitzondering op te maken. Nina’s verjaardag was de volgende dag, donderdag. Wat een teleurstelling. We konden haar toch niet nog eens een week op haar poesjes laten wachten?

 

Intussen had Jeyffer via internet zijn eigen zoektocht ingezet. Zo was hij terecht gekomen bij La Casa del Gato feliz (‘Het Huis van de Gelukkig Kat’), waar we inderdaad nog dezelfde dag een poesje konden ophalen. Nou ja, ophalen: tegen een pittig bedrag in adoptie nemen. Het Gelukkige Poezenhuis zit namelijk vér weg in het rijke noorden van de stad, waar alles duurder wordt verkocht dan in onze wijk, zelfs straatkatten die er gratis zijn aan komen lopen. Maar enfin, dat was voor ons een onbetekenend detail, het ging tenslotte om het geluk van ons jarige dochtertje dus we ondernamen de lange tocht ernaartoe.

We werden ontvangen door een team hartelijke dierenverzorgers in vrolijk gekleurde doktersjasjes met dierenprint. Anders dan bij dierenartsenpraktijk Gezonde Voetstapjes achter mijn huis, waar de ontvangst ook prima is maar waar je binnenkomt in een nogal groezelige ruimte met een licht-penetrante geur van pis en medicijnen, was de hygiëne in het Huis van de Gelukkige Kat top en de hoeveelheid dierengyms en ander poezenspeeltuig overvloedig, een comfortabel poezenparadijs was. Ook het assortiment draagtassen, mandjes en bakken, kattenvoeders en kattengrit, waarvan een groot deel import uit de USA, was indrukwekkend. En tussen dat alles huppelde een klein rood katertje, speels en onbezorgd. ‘Deze moeten we nemen!’ zei Jeyffer. ‘Net Maurits, van je ouders!’

Tja, Maurits, de laatste kat die mijn ouders in huis hadden gehad, en van wie we overigens, toen hij al tegen het einde van zijn krachten liep, ontdekten dat hij al achttien jaar een dubbelleven had geleid: bij een vriendelijk bejaard stel een straat verderop bleek hij zijn eigen poezenhok te hebben, luxe eten te krijgen (bij mama thuis stond hij vanwege nierproblemen op streng en smakeloos dieet) en ook had hij zijn eigen tweede identiteit: Felix, noemden ze hem bij daar. Pas toen hij nachtenlang niet thuis kwam en mama, die zelf toen al heel ziek was, ten einde raad langs de deuren ging om navraag te doen wezen onze buren hen op zijn tweede huis. Mama en de dame die Maurits/Felix bijna twee decennia lang liefdevol had opgevangen raakten bevriend, en toen het beestje niet lang daarna definitief onherstelbaar nierziek werd zijn ze samen met hem naar de dierenarts gegaan om hem te laten inslapen.

Een hilarische en ontroerende anekdote, die me eigenlijk nu pas weer te binnen schiet bij het schrijven over de zoektocht naar een poes voor Nina.

Kwiek en watervlug, had het kleine rode katertje in noord-Bogota voor mij verder weinig overeenkomsten met die ouwe en versleten Leidse Maurits. ‘Miguelito!’ zei de dierenarts. Kleine Michel. ‘De meest speelse van de poesjes die we hebben. Hij zal een geweldig vriendje voor jullie zijn.’

Met die aanbeveling konden we het beestje natuurlijk niet afslaan. ‘Jullie mogen hem een andere naam geven natuurlijk, he!’ lachte de arts. En zo werd Miguelito: Dikkie, door een dolgelukkige Nina vernoemd naar haar favoriete Hollandse prentenboekbeest, Dikkie Dik.

Share

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.