1. Eindelijk vrede, na 220 duizend doden

HET LAND DAT NEE STEMDE TEGEN VREDE – BLOG IN 6 DELEN – DEEL 1

President Santos en guerrillaleider “Timochenko” schudden elkaar de hand tijdens de ceremonie waarin zij het vredesakkoord ondertekene. Fotot: La Sexta TV

Maandagavond 26 september, live vanuit Cartagena de Indias aan de Caribische kust. Enkele seconden zweeft de televisiecamera nadrukkelijk boven de handtekeningen die president Santos en FARC-commandant Timochenko hebben gezet op de laatste bladzijde van hun 297 pagina´s tellende vredesakkoord. Heel symbolisch deden ze dat met een tot pen getransformeerde kogelhuls. Het is zover: aan 52 jaar bloedvergieten dat de levens van 220 duizend Colombianen heeft gekost en die van vele miljoenen andere blijvend heeft verwoest, is – na bijna vier jaar onderhandelen in Havana – officieel een einde gekomen.

OUDE VRIENDEN

De door de FARC verwoeste kerk van Bojayá, met de Heilige Maagd die tussen het puin alleen een paar lichte beschadigingen opliep – een wonderbaarlijk detail dat zeer tot de verbeelding spreekt van de diep katholieke Colombianen. Foto: artkel El Pais

Met een minuut stilte voor de slachtoffers van deze oorlog, die – het wordt deze avond vaak benadrukt – centraal staan in de vredesakkoorden, ging de ceremonie van start. Daarna hief het koor van zangeressen van het plaatsje Bojayá hun lied voor de vrede aan. Hun gezang is rauw en verre van melodieus (eerlijk gezegd, ik moet even het geluid uitzetten). Maar het belangrijkste is dat in dit koor, gevormd door overlevenden van de beruchte massamoord van Bojayá in 2002 waarbij meer dan 80 mensen omkwamen toen de FARC de dorpskerk bombardeerde, de stemmen van de vergeving en verzoening klinken.

Even later zien we hoe president Santos uit de zak van zijn witte hemd een speld met daarop een vredesduifje heeft gepakt en het op de borst van de guerrillacommandant speldt. Het is een groots gebaar dat tegelijk ook een beetje té clichématig aandoet. Knullig lief in deze gewichtige ambiance.

Ze lijken wel oude vrienden, deze twee voormalige aartsvijanden. Toch kon hun achtergrond en gedachtengoed haast niet verder uitelkaar liggen. De één, een in de Sovjet Unie en voormalig Joegoslavië geschoold militair van de harde lijn, hoogste commandant van de Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia – Leger van het Volk zoals de FARC-EP officieel heet, het opstandelingenleger dat de politieke en economische machthebbers sinds 1964 in een bloedige strijd verwikkeld heeft gehouden. De ander, president van Colombia die als minister van Defensie tijdens de voorgaande regering-Uribe een meedogenloos offensief tegen de ´linkse terroristen´heeft geleid en nu zijn politieke kapitaal heeft ingezet op vrede. Vanavond slaan ze elkaar lachend op de schouders alsof ze al sinds de schoolbanken in de weekends samen bier in de kroeg drinken.

PSYCHOLOGISCHE OVERWINNING

Het is duidelijk dat de vredesonderhandelingen in Havana die in totaal 1641 dagen duurden, meer dan alleen een politieke prestatie vooral ook een psychologische krachttoer zijn geweest. Een slepend en stekelig proces van toenadering en met moeite opgebouwd vertrouwen was het, regelmatig onderbroken zodra een van de partijen de broze balans die in de Cubaanse hoofdstad was bereikt op het spel zette met een of andere militaire actie of onvoorzichtige verklaringen tegenover de pers

Ik krijg een spreekwoordelijke brok in mijn keel. In de bijna acht jaar dat ik alles bij elkaar opgeteld in dit land heb gewoond heb ik zó veel leed gezien, zo veel angst, zo veel haat, pijn en verlies. Het meest indrukwekkend was mijn tijd bij Peace Brigades International, toen we ons inzetten voor de veiligheid en bewegingsvrijheid van mensenrechtenactivisten: journalisten, advocaten, vrouwenrechtenstrijdsters en communityleiders. Gewone mensen, die ervoor hadden gekozen om met gevaar voor eigen leven maar ook dat van hun geliefden en kinderen, van vredesopbouw hun werk te maken. Ook begeleidden we interne vluchtelingen: bewoners van geïmproviseerde houten dorpjes zonder stromend water en vaak zonder stroom en andere minimale basisvoorzieningen, maar die desondanks namen droegen als ‘Nueva Vida’ (Nieuw Leven) en ‘Nueva Esperanza en Dios’ (Nieuwe Hoop op God).

Een van de huizen in de regio Cacarica tegen de grens met Panama, waar we vanuit PBI de dorpelingen van de vluchtenlingennederzettingen ‘Nueva Esperanza en Dios’ en ‘Nueva Vida’ begeleidden. Foto: PBI

KINDERTEKENINGEN

In deze geïsoleerde en precaire dorpjes probeerden zij, verdreven waren van hun huizen en hun land en getekend door afschuwelijke ervaringen van vervolging, verdwijningen en moord op familieleden en dorpsgenoten, de draad van hun leven weer op te pakken. Maar ook nu leefden ze onder de dagelijkse terreur van de gewapende groepen die hun nederzettingen omsingelden.

Ik herinner me nog goed de tekeningen die de kinderen uit deze dorpjes ons lieten zien. Daar stonden geen vrolijke meisjes en jongetjes op die onder blauwe wolken en lachende gele zonnen op klimrekken speelden, zoals op die van Nina en haar vriendjes. Deze kinderen tekenden hun eigen realiteit: rondcirkelende gevechtshelikopters, zwarte bommenregens en omver gevallen mensen waar dikke rode druppels bloed uit spoten.

‘Mama Paz’
Gemotiveerd door de herinnering aan de kinderen in Urabá die zulke wrede tekeningen maakten waar elke onschuld uit verdwenen was, zoek ik terug in mijn documenten van toen. Ik vind deze tekening en ineens weet ik het weer: Luna.
Ik raakte met hem aan de praat onderweg naar San José de Apartadó, toen we in de prachtige bergen onderweg even stopten en uit de auto stapten.
Zijn echte naam was gewoon Juan (Jan) maar hij liet zich Luna noemen (‘Maan’). Een jaar of zestien zal hij geweest zijn. Zo verduidelijk gay dat het ervanaf droop. En daarmee zó kwetsbaar. Want de gewapende groepen waar de regio mee vol zat, inclusief het leger, moesten niets van homo’s hebben.
Mamá Paz, (‘Mamma Vrede’) had hij zijn tekening genoemd. Er staat: ‘Wat mooi als je naar de hemel gaat en vooral als een overleden familielid je daar met open armen opwacht.’

Maar het kon nog erger. In 2005 hielp ik vanuit Bogotá mee om de internationale noodactie te coördineren waarmee we aandacht vroegen voor de massamoord op acht burgers uit het dorpje San José de Apartadó aan de grens met Panamá, waaronder drie kleine kinderen. De bruutheid waarmee de moordenaars te werk waren gegaan is onbeschrijfelijk en ze hadden niet eens de moeite genomen de resten te begraven: als voer voor honden en varkens waren die op een verlaten plek in het oerwoud achtergelaten.

De agressors waren in het geval van mijn werk bij Peace Brigades trouwens meestal geen FARC of andere guerrillagroepen maar vooral paramilitairen, de goed geoliede moordmachines die al dan niet met actieve steun of passief wegkijken van het Colombiaanse leger de civiele bevolking in grote delen van het land terroriseerden. Ooit ontstonden ze als verdedigingstroepen tegen de guerrilla´s, maar ze vergaarden een militaire, economische en politieke macht die veel verder ging dan de strijd tegen de linkse opstandelingen in Colombia´s bergen en oerwouden. Uiteindelijk zijn zij het geweest die het grootste deel van de moorden, massaslachtingen, verdwijningen en verdrijvingen in deze oorlog op hun naam hebben staan en niet de FARC (maar volgens al die Colombianen die de paramilitairen als een ´noodzakelijk kwaad´ beschouwen zijn dat geen feiten, maar linkse leugens).

Kinderen van San José de Apartadó bij het toegangsbord tot de neutrale zone van het dorp. In 1997 verklaarden de bewoners zich ´vredesgemeenschap´en eisten dat alle partijen in het conflict de levens van de burgerbevolking en hun recht om zich afzijdig van het conflict te houden, zouden respecteren. Tot de dag van vandaag en tegen de klippen op houden zij vast aan hun zelfverklaarde neutrale status. Foto: artikel Semanario VOZ.

De officiële demobilisatie van de paramilitairen vond plaats tussen 2003 en 2006, onder regie van toenmalig president Alvaro Uribe Vélez. De lange politieke carrière van Uribe, van gouverneur van de provincie Antioquia – dat in die tijd uitgroeide tot centrum van de machtigste paramilitaire legers – tot zijn twee presidentsperiodes (2000-2008) zijn besmet met aanwijzingen van zijn betrokkenheid bij de formalisering en uitbreiding van paramilitaire groepen. Maar hoewel er tot de dag van vandaag nieuwe beerputten opengaan is, in een land met zo veel straffeloosheid, de nog altijd machtige ex-president wel de laatste die voorlopig in de beklaagdenbank zal belanden.

“Mano firme, corazón grande” – “Stevige hand, groot hart” . Met deze briljante slogan ging Uribe destijds als president van Colombia aan de slag, en met onvoorwaardelijke steun van wat veel Colombianen zien als de glorieuze Helden van het Vaderland: leger, politie en militaire politie. Hier, tidens een ceremonie bij de Politie in Bogotá (2010). Foto: artikel ABC Internacional

OVERUREN

Sluw, arrogant, nietsontziend en op handen gedragen door brede lagen van de bevolking en de machtige conservatieve elite, zette Uribe zijn ramkoers in tegen de ‘Terroristen van de FARC’. Na een acht jaar durend militair offensief dat gul werd medegefinancierd vanuit de VS, was hij erin geslaagd om de guerrilla’s beslissende klappen toe te brengen, maar definitief op de knieën kreeg hij hen niet. Nu erkennen voor- én tegenstanders dat deze periode de weg heeft gebaand voor de vredesonderhandelingen met de FARC, omdat beide partijen, regering en guerrilla´s, inzagen dat een militaire overwinning op de ander niet haalbaar was. Maar de prijs van Uribe’s beleid voor de burgerbevolking was hoog. Heel hoog.

Dus draaiden wij bij Peace Brigades overuren. Want de regeringspolitiek van Seguridad Democrática (‘Democratische Veiligheid’) zorgde er weliswaar voor dat snelwegen heropend werden en allerlei delen van het land eindelijk weer zonder gevaar te bereizen waren, maar leverde ook grootschalige mensenrechtenschendingen op. Onzichtbaar voor het oog van de media en het grote publiek werden die door hem altijd glashard ontkend, of als het echt niet anders kon afgedaan als colateral damage waar je niet al te moeilijk over moest doen.

We verafschuwden Uribe – sommigen konden zijn bloed wel drinken. Over Santos dachten niet veel beter, de defensieminister die als trouwe rechterhand van de president verantwoordelijk was voor de uitvoering van zijn Democratische Veiligheidspolitiek.

PUBLIEK KABAAL

Maar de vroegere vrienden en strijdmakkers spreken elkaar nu al jaren niet meer.

Juan Manuel Santos, tot president verkozen dankzij het politieke kapitaal dat hij had opgebouwd gedurende zijn, in de ogen van velen, glansrijke carrière in de regering-Uribe, nam snel afstand van zijn gloriedagen als uitvoerder van de Seguridad Democrática. Een opportunist en een pragmaticus, keerde hij zijn oude patroon én de uribistische kiezers die hem aan de macht hadden geholpen de rug toe, stapte over op een vredesdiscours en begon voorbesprekingen achter gesloten deuren om tot een onderhandelde vrede met de FARC te komen. Sindsdien is het niet meer goed gekomen tussen de twee.

Uribe, inmiddels senator, heeft geen kans voorbij laten gaan om de regering van Santos met veel publiek kabaal dwars te zitten. Jaren na zijn aftreden kwam naar buiten dat ook hij in het diepste geheim toenaderingspogingen was begonnen met de guerrilla´s om hen aan de onderhandelingstafel te krijgen, maar het wantrouwen was te groot. Dat nu uitgerekend zijn afvallige beschermeling er met de politieke buit van de vrede vandoor gaat moet een bittere pil voor hem zijn.

Santos en Timochenko spreken in Cartagena plechtige woorden over Vrede en Verzoening. Beide voormalige aartsvijanden onderstrepen dat de ideologische tegenstellingen tussen hen niet van de baan zijn. Maar, zoals de guerrillacommandant het uitdrukt, het middel waarmee de meningsverschillen vanaf nu zullen worden uitgevochten zijn niet langer kogels, maar woorden, en de plek waar dat zal gebeuren niet het slagveld, maar de politieke arena.

PARLEMENTSZETELS VOOR DE GUERRILLA

Want als onderdeel van de vredesakkoorden hebben de FARC tien parlementszetels gegarandeerd gekregen: vijf in de Senaat en vijf in het parlement. Dit tot afgrijzen van vele Colombianen, die vrezen dat het land hiermee reddeloos verloren in de greep van het extreem linkse ‘CastroChavisme’ zal raken, een verwijzing naar de leider van de Cuba en de voormalige leider van Venezuela. Deze twee landen in de directe nabijheid van Colombia staan hier als schrikbeeld van marxistische terreur bekend. Zo wordt alle ellende die ook in Colombia in overvloed aanwezig is – diepe armoede, kindersterfte, uitbuiting en zo nog een aantal chronische en door opeenvolgende regeringen grotendeels genegeerde problemen – voor het gemak toegeschreven aan de linkse ideologie van hun leiders.

President Maduro van Venezuela – met zijn dommige kop, incompetent en zelfingenomen – is een onderwerp waar Colombiaanse cartoontekenaars hun vingers bij aflikken. Hoewel in de karikatuur links niet hijzelf direct op de hak werd genomen, haalde opinieblad Semana begin 2015 de Venezolaanse tv (rechts, Maduro met een kopie van het blad in de hand). Onder de titel ” Bolivariaanse ´revolutie´ ” maakt karikaturist Maddo korte metten met het symbool van nationale trots van het buurland: op het wapen is de overvloedige bundel van graan verpulverd tot een handvol verdorde stengels, fiere vlaggen hangen slap aan flarden en de robuuste hengst is tot een uitgemergeld scharminkel gereduceerd. Een ongekende belediging en een pogiing tot destabilisatie van zijn land, volgens Maduro.

De kans dat dit ´linkse gevaar´in Colombia ook aan de macht zou komen is te verwaarlozen, onder andere vanwege het heel bescheiden aantal zetels dat de FARC toegewezen krijgt op het totaal (102 in de Senaat, 166 in het parlement). Bovendien is de aanhang van de FARC onder de bevolking flink geslonken. Sowieso beslaat het totale aantal progressieve stemmers, inclusief de extreem linksen onder hen, een kleine minderheid in dit land.

Politieke deelname is niet alleen voor de gewone Colombiaan in de straat een gevoelig issue, maar ook voor de FARC zelf, om een heel andere reden.

Nooit zijn zij de uitroeiing van de Unión Patriótica (Patriottische Unie, UP) vergeten, de politieke partij die in 1984 werd gevormd als resultaat van vredesonderhandelingen tussen de FARC en de conservatieve regering van president Belisario Betancúr. Tien jaar later was er dankzij wat wel een politieke genocide is genoemd praktisch niets meer van deze politieke beweging over: meer dan drieduizend UP-leden werden vermoord, waaronder twee presidentskandidaten en een stuk of vijftien UP-parlementsleden. Honderden vluchtten het land uit.

De daders: paramilitairen, gesteund door leger en politie, en narcobazen zoals Pablo Escobar. Het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten heeft de Colombiaanse staat veroordeeld voor zijn passieve en actieve rol in dit bloedbad. Het wantrouwen van de FARC tegenover de regering zit sindsdien dieper dan ooit. De spiraal van geweld door de guerrilla´s en paramilitairen-slash-militairen in de daarop-volgende drie decennia hebben er ook voor gezorgd dat progressieve sociale en politieke bewegingen in Colombia de kop ingedrukt werden en dat heeft de vorming van een sterke linkse oppositie tegengegaan. Jezelf kritisch inzetten voor de progressieve zaak kon je immers je leven kosten.

Share

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.